 |
Het dorp Ouezindougou
± 1700 inwoners.
De families bestaan uit 5 à 20 personen. In de meest simpele vorm is er een man, zijn vrouw en 2 of 3 kinderen. Maar zo zijn er maar weinig. Het gezin kan verder uitgebreid zijn met de oma of zuster of broer van een van de ouders. Meestal niet de opa, want die heeft dan weer een groter gezin voor zichzelf, met een jongere vrouw.
Een grote familie heeft een “chef du familie”, de man kan varieren in leeftijd van 25 tot heel erg oud. De ouderen krijgen veel respect.
Ik heb mannen en vrouwen gezien van in de negentig, zelfs oudgedienden van W.O. II (voor Frankrijk).
De families leven in een zgn court, een erf zeg maar. Dit erf bestaat uit een aantal hutten, een voor de man, elke vrouw met haar eigen kinderen heeft een eigen hut. Dan zijn er de voorraadhutten, goed afgesloten rieten of lemen hutten, iets boven de grond op houten palen met een rieten puntdak. Hierin wordt de voorraad voedsel bewaard voor mens en dier. Mais, sorghum, en miel. Deze gewassen zijn meestal op eigen terrein tijdens de oogsttijd (regentijd) verbouwd en vormen het basisvoedsel (vaak het enige voedsel). Hiervan maakt men meestal, nadat het gemalen is, de zogenaand to, eeen dikke pap van meel met water, zonder veel smaak. Er zijn heel veel mensen die alleen deze to eten.
Als er aanvulling is, waarvoor dus geld nodig is, is dat meestal rijst, tomaten of andere groenten. Op elk erf lopen veel dieren, dus die worden van tijd tot tijd ook geslacht. Kippen, parelhoeders (poulet pintade), geiten, schapen en zo nu en dan een koe of een os en varkens bij de katholieken. Verder zijn er veel honden, heel veel ezels als lastdier, en soms iets bijzonders zoals katten of een aapje.
Alle hutten zijn volgens mij willekeurig gegroepeerd, de voorraadhutten staan wel bij elkaar, de rest staat allemaal door elkaar. De stallen en de woonhutten wisselen elkaar af. Elk erf heeft zijn eigen “moulin” (platte stenen waarop de granen worden gemalen) een boom die schaduw geeft, om onder te rusten, een boom waar het graan wordt gestampt in een grote vijzel, soms een eigen put met heel diep water. Soms zijn er ook mangobomen op het erf. Dat is het dan wel zo’n beetje.
Sommige erven zijn erg groot, er leven dan verschillende families bij elkaar. Het lijkt meer op een klein dorp, met lemen muren, en kleine straatjes en pleintjes. De grootste courts worden bewoond door wel 80 personen.
De erven liggen vrij ver (500 tot 700 meter schat ik) uit elkaar in een landschap dat er meestal als volgt uitziet: het grootste gedeelte is akkerland. Na de oogst blijft het zoals het is, dus meestal erg verdroogd, harde bodem, met nog wat restjes van de gewassen die erop stonden. Elke familie heeft een stuk eigen grond.
Dan zijn er grote stukken land met “niks”. Er groeien een paar dorre struiken of een enkele boom. Er zijn ook aangeplantte stukken “eucalyptusbos” en ook grote stukken met geel gras, variërend in hoogte tussen een halve meter en 2 meter. Dan is het “paille” en wordt gebruikt voor diverse constructies. Verder zijn er grote stukken met mangobomen. Daar is het veel koeler dan elders. De mango’s zijn in maart nog niet allemaal rijp, dat was wel jammer.
Tenslotte is er aan de rand van het dorp een “baffon”, een groot waterrijk gebied, met daaromheen gegroepeerd een aantal tuinen met diverse soorten groenten. Het water uit het meertje is te zout om te drinken of voor de gewassen, maar het grondwater zit hier veel minder diep dan elders dus dat wordt volop gebruikt.
Het dorp heeft heel weinig centrale voorzieningen. Er is één winkeltje langs de grote weg, met zeep, tomatenpuree, tandenborstel en van dat spul. Dan is er een barretje, een klein hokje waar je pislauwe fris of bier kunt kopen, en koffie of heet water.
Ik heb gedurende de 5 dagen dat ik er was, niet gezien dat er (behalve aan ons) iets werd omgezet, behalve koffie (kost 50 CFA= 7,5 eurocent). Dan zijn er 3 à 4 marktstalletjes, leeg behalve één dag per week als er “markt” is. Er zijn 2 verschillende “assemblee de dieu” en een heel kleine moskee. Een klein schooltje (we waren er op zaterdag: 5 leerlingen en geen leraar). Dat is het wel zo’n beetje aan gezamenlijke dingen.
Het meeste werk voor de bevolking is er tijdens de maanden juni t/m oktober, dan is er regen en kan er geplant en geoogst worden. Dit is de hoofdaktiviteit van de dorpelingen. Voor de meesten is dit ook, op wat onderhoudswerk na, het enige werk. Sommigen hebben nog wat bijwerkzaamheden, zoals het maken van stoelen, fietsreparatie. Verder zijn er ook mannen en vrouwen die buiten het dorp werken, bv in Sabou, het nabij gelegen stadje, of zelfs als landarbeider in Cote d’Ivoire. Dat betekent dat men erg afhankelijk is van de oogst en als die slecht is, zoals het vorige jaar, toen er te weinig regen was plus een sprinkhanenplaag, is er feitelijk te weinig voedsel dus hongersnood.
|
|
F A M I L I E
Zoek de "chef du familie"
|
|